Munnikeveen

Laatste ontwikkelingen

Historie: Het Eiland

Historie: De eigenaren

Historie: Maatschappij

Historie: Bedrijfsvoering

Pachtbedrijf

Landbouw

Natuurbeheer

Visserij

Recreatie

Contact

www.munnikeveen.nl

Historie: De eigenaren

(Uit: Inventaris van het archief van de Maatschappij tot exploitatie van het onverdeelde Munnikeveen ((1583) 1782-1973. F.C.J. Ketelaar)

Over de eigenaren van het Munnikeveen worden we ingelicht door een akte uit 1583 (8), betreffende de overdracht van goederen van het Grijzevrouwenklooster door de abt van Termunten, als kelner van het Grijzevrouwenklooster met de priores, de subpriores en de gezamenlijke conventualen van het Grijzevrouwenklooster. In deze akte worden o. m. meetlanden op het "eylandeken Monnickesveen gehieten" en twee dagwerken turflands in het (elders gelegen?) Grijzevrouwenveen genoemd.


Het vrouwenklooster was in of kort na 1247 afgesplitst van het dubbelklooster Montrevalt, dat sedertdien als Sint Benedictusabdij of Grijzemonnikenklooster in de Cisterciënser orde was opgenomen.
Met het Grijzevrouwenklooster bij Midwolda bleef het Grijzemonnikenklooster nauw verbonden. In 1569 en volgende jaren hadden beide kloosters van plunderingen to lijden. De monniken van het Grijze monnikenklooster namen de wijk naar het moederklooster to Aduard, de nonnen moeten zijn overgegaan naar het refugium dat het Grijze monnikenklooster in de stad bezat. In deze tijd zullen de goederen van beide kloosters met elkaar verenigd zijn.


Na de Reformatie werd "eenig land op Monnekenveen", met de overige goederen van het Grijzemonnikenklooster, eigendom van de provincie (9). Sedert 1597 worden in de rekeningen van de rentmeesters der voormalige kloostergoederen de (geringe) opbrengsten uit het Munnekeveen vermeld. Misschien was dat land wat het Grijzevrouwenklooster nog behouden had (maar dan is niet goed to verklaren waarom ook dit gedeelte in 1583 niet werd overgedragen). Een andere mogelijkheid is, dat het aan de provincie gekomen deel van het Munnikeveen oorspronkelijk aan het Grijzemonnikenklooster behoorde, misschien mt6t het deel dat in 1583 eigendom van het Grijzevrouwenklooster was. We kunnen ons voorstellen dat het Grijzemonnikenklooster oorspronkelijk het gehele Munnikeveen bezat (vandaar de naam van het eiland), maar later delen heeft overgedragen aan het vanuit het mannenklooster gestichte Grijzevrouwenklooster en aan de kerk van Oostwold, die in 1583 ook land op het Munnikeveen bezat.


Sedert 1712 was dit kerkenland zonder huurder, tot het in 1712 aan mevrouw Hora werd verhuurd (10).De in 1583 overgedragen meetlanden op het Munnikeveen, begrensd door de Dollard en ten oosten door "dat kyrckenlandt van Oestwolt", werden in 1724 eigendom van Johan Hora en zijn vrouw Catharina Wolthers. Johans moeder Anna Maria Clinge, weduwe van Wilhelmus Hora, had in 1698 reeds van Johan Auwe en zijn vrouw Anna Sibilla Clant verworven drie vierde parten van de Steenhuisheerd to Oostwold, strekkende van bet meer tot aan de Oude Geut, "met het recht van het eyland Munniksveen" (11). Deze eigendommen sloten aan bij de overige bezittingen die de Hora's op de Ennemaborg hadden in Midwolda, Finsterwolde en Oostwold.
Johan Hora en Catharina Wolthers hadden twee dochters: Anna Maria en Anna Catharina. Anna Maria trouwde met Onno Joost Alberda, die Ekestein kocht. Hun kinderen waren Onno Reint Alberda, Catharina Alberda, getrouwd met J.D. Quintus en Anna, getrouwd met P.R. Sickinge. De andere dochter Hora trouwde Wiardus Siccama, hun zoon Johan was de eerste Hora Siccama.
 

Daarmee zijn de drie eigenaren van het Munnikeveen genoemd: de familie Hora, de kerk van Oostwold en de provincie. Alle drie verhuurden zij hun landen op het Munnikeveen. In 1758 kreeg de huurder van de provincie moeite met de uitoefening van zijn rechten aangezien de familie Hora en de kerk van Oostwold het recht van de provincie betwistten. Zij beriepen zich beiden op de akte uit 1583, terwijl de provincie zich op langdurig bezit baseerde. De provincie liet het eiland nu opmeten. In 1758 bevonden rentmeester Wichers en de advocaat-provinciaal Ippius het eiland 17 A 18 deimt (dus 8,5 A 9 ha) groot, ongeveer een half uur gaans van de Nieuwe Dijk (de in 1701 gelegde dijk); de ruimte tussen de dijk en het eilandje was geheel aangewassen.


Ondanks vele besprekingen in de jaren 1758?1761 kwam het niet tot een accoord (12). De zaak zou waarschijnlijk onbeslist zijn gebleven, als niet de bedijking van de Oostwolderpolder in 1769 zou hebben plaatsgehad. De dijk moest gedeeltelijk over het Munnikeveen (toen 19 deimt en 111 roeden = 9,68 ha groot) (13) gelegd worden. Daartegen verzetten de familie Hora en de kerkvoogden van Oostwold zich. Tegen hen spande de provincie een proces aan, dat zich jaren voortsleepte (14). We danken er een zeer lijvig procesdossier aan. Tussen 1773 en 1776 schijnt het proces praktisch stil gestaan to hebben, mede in verband met het overlijden van mevrouw Hora-Wolthers. Op 6 maart 1781 wordt de zaak in handen van gecommitteerden gesteld om te trachten partijen te verenigen.

Tenslotte kwamen partijen in 1782 tot een dading en werden de in 1761 voorgestelde grenzen vastgesteld (15). Twee vijfde (of 14/35) van het binnen- en buitendijkse Munnikeveen en de aanwassen zouden eigendom zijn van de erfgenamen van Johan Hora en Catharina Wolthers: hun kleinzoon Johan Hora Siccama benevens de kinderen Alberda. Een zevende (of 5/35) zou eigendom zijn van de kerk van Oostwold en de rest (dus 16/35) zou eigendom zijn van de provincie. Verder werd bepaald dat geen der partijen scheiding en deling van de aanwas zou mogen vorderen "eer en bevorens hetzelve ter zijner tijd zal zijn binnengedijkt".

Het aandeel van de provincie ging, ingevolge de Staatsregeling van 1798, over op het rijk. In 1812 werd het aandeel van het rijk, voor zover het, het te bedijken deel van het Munnikeveen betrof, geveild en verkocht aan E. Cremers, na scheiding en deling tussen het rijk en de overige eigenaren. In 1819, dus tijdens of na de bedijking die de Finsterwolderpolder deed ontstaan, had nog een correctie op deze verdeling plaats. Het rijk bleef echter voor 16/35 gerechtigd in de aanwassen. Deze rechten werden in 1841 bij publieke veiling voor f 62.000,-- verkocht aan mr. H.O. Feith, archivarius en raadsheer in het Gerechtshof te Groningen. Dit bedrag, hoewel in zes


jaarlijkse termijnen to betalen, was in die tijd een reusachtige som. Hendrikus Octavius Feith was de zoon van de dichter Rhijnvis Feith en Ockje Groeneveld. Uit de forse nalatenschap van zijn ouders van bijna 4 ton kreeg H.O. Feith f 43.500,-- in onroerend goed in Oost?Friesland, waar zijn moeder vandaan kwam, effecten, goud en zilver. Feiths echtgenote Harmanna Maria Meurs erfde in 1820 van haar moeder ruim f 30.000,--, waaronder nogal wat land onder Oostwold en Finsterwolde, venen bij Veendam en 1/12 in de Westerleese participantenvenen. De aankoop van de aanwassen in het Munnikeveen sloot voor de familie Feith dus aan bij de eigendommen in het Oldambt. De 16/35 aandelen in het onverdeelde Munnikeveen bleven in de familie Feith, vermeerderd met enkele parten in de aandelen van de Alberda's en van Johan Hora Siccama, door H.O. Feith jr. gekocht. In 1899 was het aandeel van de familie Feith van 16/35 gegroeid tot bijna 18/35, dus iets meer dan de helft. In 1895, bij het overlijden van H.O. Feith jr. was er aan aandelen in het Munnikeveen ruim f 73.000 in de boedel. De totale erfenis van deze Feith en zijn vrouw Willemina Woltera Dull was ruim f 838.000! Het 7/35 aandeel van Johan Hora Siccama werd na zijn dood in 1848 voor f 31.078,?gekocht door W. Alberda van Ekenstein en W.M. Quintus?Gockinga, ieder voor de onverdeelde helft (16). Daarnaast verwierf de familie Quintus aandelen van de Alberda's (voornamelijk uit het derde deel van Catharina Johanna Quintus?Alberda). In 1899 had de familie Quintus bijna 8/35, de familie Alberda van Ekestein 4/35. Het 5/35 aandeel van de kerk van Oostwold bleef onveranderd in dezelfde hand.


Bij de bedijking van de Reiderwolderpolder (in twee gedeelten: 1862 en 1874) werden de ingedijkte gronden van het Munnikeveen onder de eigenaren gescheiden en verdeeld. Onverdeeld bleven alle verdere kwelder en aanwas in de Dollard, de Reiderwolderpolderdijk, een deel van de dijk van 1819, de zogenaamde eerste laan tot aan de hoofdweg in de Reiderwolderpolder en de derde laan tot de binnenbermsloot van de polder.



Munnikeveen GIS
(kijk waar het Munnikeveen ligt)

pachter
aandeelhouder







een kruisbestuivings website