(klik op kaart voor vergroting)
"Munnekeveen"
Historie van de Maatschappij
Geschiedenis van het Munnikeveen (Uit: Inventaris van het archief van de Maatschappij tot exploitatie van het onverdeelde Munnikeveen ((1583) 1782-1973. F.C.J. Ketelaar
t
Het eiland Munnikeveen lag in het westen van de Dollard, ten
noorden van Oostwold. Heden ten dage laat de plaats van het eiland zich nog
bij bodemkundig onderzoek vaststellen aan de venige ondergrond beneden de 60
cm dikke kleilaag (1). Voor het eerst komt het eiland voor op de tussen 1562
en 1574 door Johannes Florianus gemaakte kaart "Frisiae orientalis descriptio"
(2). Op deze, in 1579 door Abraham Ortelius in zijn "Theatrum orbis"
gepubliceerde, kaart staan twee eilandjes; bij het noorde?, lijkste is aangegeven
"Munckersveen". Hoewel de maker langere tijd in Norden en Pilsum gewoond
heeft en dus eigen waarnemingen in zijn kaart verwerkt zal hebben, bevat de
kaart vele onjuistheden (3). Daarom kan alleen op grond van deze kaart niet
tot het bestaan van twee eilandjes met die verbasterde naam besloten worden.
Een eeuw later verschenen omstreeks 1685 de provinciekaart van De Witt en die
van Visscher en starckenborg. Daarop staat een eiland bij de punt van Reide.
Dit eiland staat ook al op de door Ubbo Emmius vervaardigde en in 1595 uitgegeven
kaart van Oost?Friesland. Emmius gaf dit eiland geen naam, maar De Witt c.s.
vermeldden het
als Munnikeveen. Kennelijk wisten zij dat er een eiland Munnikeveen in de Dollard
lag en gaven zij die naam aan het enige bij Emmius anoniem gebleven eiland bij
de punt van Reide. Alle navolgers van deze kaartmakers hebben de fout overgenomen,
zodat bijvoorbeeld de kaart in de "Tegenwoordige staat" (deel 20 (1793)
en zelfs nog een in 1825 door Maaskamp vervaardigde kaart het Munnikeveen onjuist
bij de punt van Reide situeren (4). Een veel nauwkeuriger kartering heeft ten
grondslag gelegen aan een kaart door de landmeter Cornelis Edzkens uit ca. 1648
(5). Daarop is het eiland Monnixveen op de goede plaats aangegeven. Ook landmeter
Bontko Bennens, die op last van gecommitteerden uit de Staten in 1690 een kaart
maakte van de landen van Midwolda, Midwolderhamrik en Oostwold, tekende het
eiland Munnicksveen (6). Op deze kaart heeft het eiland, in vergelijking met
de kaart van Edzkens, een veel grotere omvang en ook een andere vorm. Dat kan
twee redenen hebben. De tamelijk regelmatige vorm van het Munnikeveen op de
kaart van Edzkens maakt de indruk niet gebaseerd to zijn op opmeting in het
terrein, terwijl Bennens waarschijnlijk ook een deel van de aanwas heeft meegetekend.
Negen jaar later, in 1699, maakte landmeter J. Tideman op last van gecommitteerden
van Burgemeesters en Raad van de stad Groningen een nieuwe kaart van het door
Bennens opgemeten terein (7). Op Tidemans kaart is het Munnikeveen veel kleiner
dan op de kaart van Bennens. Tideman vermeldt ook de oppervlakte van het Munnikeveen:
13 3/4 deimt en 62 roeden, dus bijna 7 Over de eigenaren van het Munnikeveen
worden we ingelicht door een akte uit 1583 (8), betreffende de overdracht van
goederen van het
Grijzevrouwenklooster door de abt van Termunten, als kelner van het Grijzevrouwenklooster
met de priores, de suppriores en de gezamenlijke conventualen van het Grijzevrouwenklooster.
In deze akte worden o. m. meetlanden op het "eylandeken Monnickesveen gehieten"
en twee dagwerken turflands in het (elders gelegen?) Grijzevrouwenveen genoemd.
Het vrouwenklooster was in of kort na 1247 afgesplitst van het dubbelklooster
Montrevalt, dat sedertdien als Sint Benedictusabdij of Grijzemonnikenklooster
in de Cisterci6nser orde was opgenomen.
Met het Grijzevrouwenklooster bij Midwolda bleef het Grijzemonnikenklooster
nauw verbonden. In 1569 en volgende jaren hadden beide kloosters van plunderingen
to lijden. De monniken van het Grijze monnikenklooster namen de wijk naar het
moederklooster to Aduard, de nonnen moeten zijn overgegaan naar het refugium
dat het Grijze monnikenklooster in de stad bezat. In deze tijd zullen de goederen
van beide kloosters met elkaar verenigd zijn.
Na de Reformatie werd "eenig land op Monnekenveen", met de overige
goederen van het Grijzemonnikenklooster, eigendom van de provincie (9). Sedert
1597 worden in de rekeningen van de rentmeesters der voormalige kloostergoederen
de (geringe) opbrengsten uit het Munnekeveen vermeld. Misschien was dat land
wat het Grijzevrouwenklooster nog behouden had (maar dan is niet goed to verklaren
waarom ook dit gedeelte in 1583 niet werd overgedragen). Een andere mogelijkheid
is, dat het aan de provincie gekomen deel van het Munnikeveen oorspronkelijk
aan het Grijzemonnikenklooster behoorde, misschien mt6t het deel dat in 1583
eigendom van het Grijzevrouwenklooster was. We kunnen ons voorstellen dat het
Grijzemonnikenklooster oorspronkelijk het gehele Munnikeveen bezat (vandaar
de naam van het eiland), maar later delen heeft overgedragen aan het vanuit
het mannenklooster gestichte Grijzevrouwenklooster en aan de kerk van Oostwold,
die in 1583 ook land op het Munnikeveen bezat.
Sedert 1712 was dit kerkenland zonder huurder, tot het in 1712 aan mevrouw Hora
werd verhuurd (10).De in 1583 overgedragen meetlanden op het Munnikeveen, begrensd
door de Dollard en ten oosten door "dat kyrckenlandt van Oestwolt",
werden in 1724 eigendom van Johan Hora en zijn vrouw Catharina Wolthers. Johans
moeder Anna Maria Clinge, weduwe van Wilhelmus Hora, had in 1698 reeds van Johan
Auwe en zijn vrouw Anna Sibilla Clant verworven drie vierde parten van de Steenhuisheerd
to Oostwold, strekkende van bet meer tot aan de Oude Geut, "met het recht
van het
eyland Munniksveen" (11). Deze eigendommen sloten aan bij de overige bezittingen
die de Hora's op de Ennemaborg hadden in Midwolda, Finsterwolde en Oostwold.
Johan Hora en Catharina Wolthers hadden twee dochters: Anna Maria en Anna Catharina.
Anna Maria trouwde met Onno Joost Alberda, die Ekestein kocht. Hun kinderen
waren Onno Reint Alberda, Catharina Alberda, getrouwd met J.D. Quintus en Anna,
getrouwd met P.R. Sickinge. De andere dochter Hora trouwde Wiardus Siccama,
hun zoon Johan was de eerste Hora Siccama.
Daarmee zijn de drie eigenaren van het Munnikeveen genoemd: de familie Hora, de kerk van Oostwold en de provincie. Alle drie verhuurden zij hun landen op het Munnikeveen. In 1758 kreeg de huurder van de provincie moeite met de uitoefening van zijn rechten aangezien de familie Hora en de kerk van Oostwold het recht van de provincie betwistten. Zij beriepen zich beiden op de akte uit 1583, terwijl de provincie zich op langdurig bezit baseerde. De provincie liet het eiland nu opmeten. In 1758 bevonden rentmeester Wichers en de advocaat?provinciaal Ippius het eiland 17 A 18 deimt (dus 8,5 A 9 ha) groot, ongeveer een half uur gaans van de Nieuwe Dijk (de in 1701 gelegde dijk); de ruimte tussen de dijk en het eilandje was geheel aangewassen. Ondanks vele besprekingen in de jaren 1758?1761 kwam het niet tot een accoord (12). De zaak zou waarschijnlijk onbeslist zijn gebleven, als niet de bedijking van de Oostwolderpolder in 1769 zou hebben plaatsgehad. De dijk moest gedeeltelijk over het Munnikeveen (toen 19 deimt en 111 roeden = 9,68 ha groot) (13) gelegd worden. Daartegen verzetten de familie Hora en de kerkvoogden van Oostwold zich. Tegen hen spande de provincie een proces aan, dat zich jaren voortsleepte (14). We danken er een zeer lijvig procesdossier aan. Tussen 1773 en 1776 schijnt het proces praktisch stil gestaan to hebben, mede in verband met het overlijden van mevrouw HoraWolthers. Op 6 maart 1781 wordt de zaak in handen van gecommitteerden gesteld om to trachten partijen to verenigen. Tenslotte kwamen partijen in 1782 tot een dading en werden de in 1761 voorgestelde grenzen vastgesteld (15). Twee vijfde (of 14/35) van het binnen? en buitendijkse Munnikeveen en de aanwassen zouden eigendom zijn van de erfgenamen van Johan Hora en Catharina Wolthers: hun kleinzoon Johan Hora Siccama benevens de kinderen Alberda. Een zevende (of 5/35) zou eigendom zijn van de kerk van Oostwold en de rest (dus 16/35) zou eigendom zijn van de provincie. Verder werd bepaald dat geen der partijen scheiding en deling van de aanwas zou mogen vorderen "eer en bevorens hetzelve ter zijner tijd zal zijn binnengedijkt".
Het aandeel van de provincie ging, ingevolge de Staatsregeling van 1798, over op het rijk. In 1812 werd het aandeel van het rijk, voor zover het het to bedijken deel van het Munnikeveen betrof, geveild en verkocht aan E. Cremers, na scheiding en deling tussen het rijk en de overige eigenaren. In 1819, dus tijdens of na de bedijking die de Finsterwolderpolder deed ontstaan, had nog een correctie op deze verdeling plaats. Het rijk bleef echter voor 16/35 gerechtigd in de aanwassen. Deze rechten werden in 1841 bij publieke veiling voor f 62.000,?? verkocht aan mr. H.O. Feith, archivarius en raadsheer in het Gerechtshof to Groningen. Dit bedrag, hoewel in zes
jaarlijkse termijnen to betalen, was in die tijd een reusachtige som. Hendrikus
Octavius Feith was de zoon van de dichter Rhijnvis Feith en Ockje Groeneveld.
Uit de forse nalatenschap van zijn ouders van bijna 4 ton kreeg H.O. Feith f
43.500,?? in onroerend goed in Oost?Friesland, waar zijn moeder vandaan kwam,
effecten, goud en zilver. Feiths echtgenote Harmanna Maria Meurs erfde in 1820
van haar moeder ruim f 30.000,??, waaronder nogal wat land onder Oostwold en
Finsterwolde, venen bij Veendam en 1/12 in de Westerleese participantenvenen.
De aankoop van de aanwassen in het Munnikeveen sloot voor de familie Feith dus
aan bij de eigendommen in het Oldambt. De 16/35 aandelen in het onverdeelde
Munnikeveen bleven in de familie Feith, vermeerderd met enkele parten in de
aandelen van de Alberda's en van Johan Hora Siccama, door H.O. Feith jr. gekocht.
In 1899 was het aandeel van de familie Feith van 16/35 gegroeid tot bijna 18/35,
dus iets meer dan de helft. In 1895, bij het overlijden van H.O. Feith jr. was
er aan aandelen in het Munnikeveen ruim f 73.000 in de boedel. De totale erfenis
van deze Feith en zijn vrouw Willemina Woltera Dull was ruim f 838.000! Het
7/35 aandeel van Johan Hora Siccama werd na zijn dood in 1848 voor f 31.078,?gekocht
door W. Alberda van Ekenstein en W.M. Quintus?Gockinga, ieder voor de onverdeelde
helft (16). Daarnaast verwierf de familie Quintus aandelen van de Alberda's
(voornamelijk uit het derde deel van Catharina Johanna Quintus?Alberda). In
1899 had de familie Quintus bijna 8/35, de familie Alberda van Ekestein 4/35.
Het 5/35 aandeel van de kerk van Oostwold bleef onveranderd in dezelfde hand.
Bij de bedijking van de Reiderwolderpolder (in twee gedeelten: 1862 en 1874)
werden de ingedijkte gronden van het Munnikeveen onder de eigenaren gescheiden
en verdeeld. Onverdeeld bleven alle verdere kwelder en aanwas in de Dollard,
de Reiderwolderpolderdijk, een deel van de dijk van 1819, de zogenaamde eerste
laan tot aan de hoofdweg in de Reiderwolderpolder en de derde laan tot de binnenbermsloot
van de polder.
In 1899 besloten de eigenaren hun deelgenootschap to veranderen in een naamloze
vennootschap: de Maatschappij tot exploitatie van het onverdeelde Munnikeveen,
met als doel: het begraven, exploiteren en indijken der aan de vennoten behorende
slikken, kwelders en dijk. Het bestuur werd gevormd door drie directeuren, door
en uit de vennoten gekozen. Het kapitaal van de vennootschap van f 84.000,??
werd in aandelen van f 100,?? en onderaandelen van f 20,?? aan de eigenaren
uitgegeven. Voor 1/35 kreeg men f 2.400,?aan aandelen (de werkelijke waarde
van 1/35 was in 1890 geschat op f 3.874,69 en een halve cent).
De eerste aandeelhouders waren:
fam. Feith 84 aandelen en 4 onderaandelen
totaal f 42.400,?? 17,66/35
fam. Quintus 36 aandelen en 8 onderaandelen
totaal f.18.800,?? 7,8/35
fam. Alberda van Ekenstein 19 aandelen en 10 onderaandelen
totaal f 10.800,?? 4,5/35
N.H. gemeente Oostwold 24 aandelen
totaal f 12.000,?? 5/35
Wat deden de eigenaren van het onverdeelde Munnikeveen met hun eigendom? Zij
trokken inkomsten vooral uit de verkoop van kweldergras. De jaarlijkse winst
was nogal wisselend: in de jaren 1900 t/m 1911 gemiddeld f 7.000, met uitschieters
naar beneden en naar boven. In de jaren 1912 t/m 1916 steeg de gemiddelde jaarlijkse
winst tot bijna f 15.000,??.
Daarna kwamen de vier topjaren 1917 t/m 1920, met een gemiddelde jaarlijkse
winst van ruim f 38.000,??.
De aanwas werd bevorderd door de kwelder to begreppelen: in
de kwelder werden greppels gegraven, het slik uit de greppels werd over de meetjes
(rechthoekige percelen in de kwelder) verspreid (17). Hieraan werd door losse
arbeiders in het zomerseizoen gewerkt.
Voor de leiding van dat werk en het dagelijks toezicht op hun eigendommen maakten
de gezamenlijke eigenaren gebruik van een opzichter; sedert 1864 fungeerde als
zodanig J.P. Dallinga to Finsterwolde. Hij werd in 1901 opgevolgd door zijn
zoon O.S. Dallinga, die in 1932 werd opgevolgd door G. Tiddens to Finsterwolde.
Na het overlijden van Tiddens in 1955 werd zijn schoonzoon
0. Kloosterman to Finsterwolde administrateur.
In het kweldergebied, half water, half land, was het moeilijk de eigendomsgrenzen
duidelijk of to bakenen. Onenigheden met de daangrenzende eigenaren kwamen dan
ook herhaaldelijk voor. ude
In het kader van de werkverschaffing besloot de provincie in
1923 tot inpoldering van een gedeelte van de kwelders voor de Reiderwolderpolder.
In 1924 kwam de Carel Coenraadpolder tot stand,
genoemd naar de oud?commissaris der koningin C.C. Geertsema, die
ook oud?directeur van het Munnikeveen en van de Johannes Kerkhovenpolder was.
Het Munnikeveen kreeg 145 ha in de polder. Na enige discussie besloten de aandeelhouders
de eigendom onverdeeld to laten. Daarmee kwam het Munnikeveen in een nieuwe
fase. Nietnlanger vormde de opbrengst van het kweldergras de voornaamste bron
van inkomsten: de pachten kregen een grotere betekenis.
In 1927 werden voor het eerst huuropbrengsten in de polder geboekt: f 12.590,??,
naast f 10.155,?? opbrengst van de kwelder. Dertig jaar later, 1957, waren de
landpachten verdubbeld tot f 25.758,??,
de opbrengst van dijken en kwelders met de helft verminderd tot
f 5.440,??. De eigendommen in de polder betekenden natuurlijk ook hogere uitgaven:
de inkomsten in 1927 waren nauwelijks hoger dan de waterschapslasten van bijna
f 30.000,??. De inpoldering van de Carel Coenraadpolder bracht grote kosten
met zich mee, die bestreden werden uit een kasgeldlening van f 13.000,??, een
gedwongen inkomstenobligatielening van f 21.000,?en door de winst in het bedrijf
to houden: van 1925 t/m 1939 werd geen dividend uitgekeerd. In 1940?1941 werd
de laatste termijn van de kasgeldlening afgelost en werd de inkomstenobligatielening
omgezet in een obligatielening tegen 7 %. Nu kon weer een bescheiden dividend
worden uitgekeerd: 2 %, 4 %, 6 %, in de jaren vijftig 7 ~.
Aangezien de maatschappij was opgericht voor de duur van 50 jaar, was in 1949
verlenging nodig. In verband daarmee werden de statuten, met een enkele wijziging,
opnieuw vastgesteld. In 1961 werden de statuten opnieuw gewijzigd, voornamelijk
om de in 7 obligaties uitstaande schuld van f 21.000,?om to zetten in aandelen.
Daarmee zou het kapitaal boven de ton komen, waardoor de NV "een geschikte
fusiebruid" (I S) (nl. voor de NV Maatschappij tot exploitatie van den
Johannes Kerkhovenpolder) zou worden. Deze fusie ging echter niet door. In de
nieuwe statuten werd het instituut van commissarissen ingevoerd; in feite controleerden
voordien twee directeuren als commissaris de als administrateur fungerende derde
directeur. Het dividend kwam na 1961 op 11 A 12 %, maar de 7 % rente uit de
obligatielening was vervallen.
Sedert de jaren twintig onderzocht de provincie de mogelijkheden om, ter bestrijding
van de werkloosheid, kweldergronden to bedijken (19). In het voorjaar van 1929
kwam de provincie met een plan tot het uitvoeren van landaanwinningswerken in
de Dollard met toepassing van de zogenaamde Sleeswijk?Holsteinse methode. Dit
plan voorzag erin dat de eigenaren een deel van de kosten voor hun rekening
zouden nemen, tegen een vergoeding voor de aangewonnen kwelders. Alleen Domeinen
en de gemeente Groningen gingen accoord, de overige eigenaren waren niet tot
medewerking bereid. Gedeputeerde Staten voelden eerst niet voor een onteigening
en uitvoering van de werken voor rekening van de provincie. In 1935 echter besloot
de provincie niet langer of to wachten. Provinciale Staten machtigden G.S. om,
mits de arbeidslonen voor de landaanwinningswerken door het rijk vergoed zouden
worden en voor de overige kosten steun van het Werkfonds 1934 zou worden verkregen,
die werken ter hand to nemen en de onteigening to bevorderen. Het provinciale
voorstel tot onteigening van de slikken werd door de regering op 13 april 1940
bij de Tweede Kamer ingediend. Het Munnikeveen en de NV Maatschappij tot exploitatie
van den Johannes Kerkhovenpolder maakten bezwaar. Zij betwistten niet het algemeen
nut van de werken, maar prefereerden een andere methode van landaanwinning.
"Achteraf," zo verzuchtte de 2e afdeling der provinciale griffie in
1946, "vraagt men zich of hoe het mogelijk is geweest dat de eigenaren
een zoo
nuttige zaak zoo lang hebben kunnen tegenhouden. Men krijgt bij het doorlezen
van het dossier den indruk dat aan hun bezwaren wel eens wat to veel aandacht
is geschonken." Munnikeveen en Johannes Kerkhovenpolder, aldus diezelfde
nota, "hebben het spelletje van uitstellen en ophouden op meesterlijke
wijze gespeeld". Het wetsontwerp tot onteigening kwam op de Kameragenda
van 9 mei 1940 voor. De behandeling werd een dag uitgesteld, maar die dag, 10
mei 1940, had men wel andere dingen aan het hoofd! Na de capitulatie dreigde
de provincie met onteigening krachtens oorlogsrecht, hoewel de Regeringscommissaris
voor de wederopbouw had meegedeeld dat de hem door de Opperbevelhebber van land?
en zeemacht toegekende bevoegdheid tot onteigening in dit geval niet kon worden
gebruikt. Onder druk van de omstandigheden bezweek het Munnikeveen: met 21 tegen
19 stemmen besloten de aandeelhouders het bod van een door het Munnikeveen to
betalen vergoeding van f 600,?? per ha aangewonnen kwelder (tussen de door demarcatie
vast to stellen kwelderrand en 800 m uit de teen van de zeedijk) to accepteren.
Voor de verderaf gelegen aan to winnen kwelders zou het Munnikeveen (overeenkomstig
het in 1939 tussen provincie en gemeente Groningen gesloten contract) moeten
betalen 75 'B van het verschil tussen de verkoopwaarde van die kwelders bij
beeindiging van de landaanwinningswerken en de waarde van de slikken bij de
aanvang van de werken (bepaald op f 200 per ha). Op 14 oktober 1940 sloot het
Munnikeveen met de provincie een overeenkomst inzake de landaanwinning. Tot
uitvoering van de werken op de aan het Munnikeveen behorende gronden kwam het
echter pas na de oorlog, in 1946. Daarbij werden enige honderden arbeiders ?
aanvankelijk geinterneerden, later werklozen ? ingezet.
Stopzetting van de rijkssubsidie leidde in 1957 tot het staken van de landaanwinningswerken.
De in de overeenkomst van 1940 voorziene afrekening met het Munnikeveen werd
uitgesteld. Nieuwe plannen tot inpoldering van de Dollard leidden in 1966 en
volgende jaren tot nieuw overleg en nieuwe moeilijkheden. Het Munnikeveen wenste
de overeenkomst van 1940 buiten beschouwing to laten en meende dat er geen aanwas
viel to verrekenen. Een met de provincie gemeenschappelijke taxatiecommissie
wees het Munnikeveen af. Daarop benoemde de provincie zelf taxateurs en stelde
de to betalen vergoeding vast. ~/1
Zo verliep de oude taak van het Munnikeveen, de landaanwinning. Wat bleef was
de exploitatie van de eigendommen in de Carel Coenraadpolder: voornamelijk door
verpachting, maar sinds 1970 ook (zij het niet zonder aarzeling onder de aandeelhouders)
in eigen beheer.